CeSMOO
Centrum voor het Stimuleren van het Mediërend Opvoeden en Onderwijzen
Menu
 
 
Basistekst
 
 

Preventief omgaan met probleemgedrag

Vanuit de opvoeder bekeken…

Kinderen die probleemgedrag stellen raken de opvoeder (ouder, leerkracht, therapeut, opvoeder, kinderbegeleidster, …) in zijn persoon en in zijn werk.

In zijn werk geven ze de opvoeder het gevoel dat hij zijn ‘ding’ niet gedaan krijgt omwille van dit kind en dat alle andere kinderen slachtoffer zijn van dit ene kind dat probleemgedrag stelt.

In zijn persoon legt dit kind voortdurend de zwakke kanten van de opvoeder bloot, geeft het de opvoeder het gevoel deze zwakke kanten te misbruiken. Daardoor gaat de opvoeder twijfelen aan de eigen vaardigheden en ontwikkelt zich al te vaak een relatie van strijd. Daarbovenop gaat de opvoeder vlug denken dat ook alle anderen gaan denken dat hij zijn opdracht niet aankan.

Het gevolg is dat de opvoeder vlug geneigd is om zijn hart te sluiten voor dit ‘moeilijke’ kind.

Vanuit het kind bekeken…

Kinderen kiezen nooit voor probleemgedrag. Ze kiezen om graag gezien te worden door hun opvoeders. Toch is er iets in hen dat er voor zorgt dat het hen niet lukt om gedrag te stellen waardoor die opvoeders hen graag gaan zien. De oorzaken voor dit gedrag kunnen van verschillende aard zijn:

Vooreerst zijn er de gedragsstoornissen. Het betreft kinderen die geboren zijn met in een stoornis die zich uit in probleemgedrag. Het is moeilijk om als niet gespecialiseerde opvoeder met deze kinderen te werken. Best zijn ze geholpen met mensen die van probleemgedrag hun beroepsthema hebben gemaakt.

Daarnaast zijn er echter nog 3 andere mogelijke oorzaken:

1. Kinderen die van bij de geboorte door hun omgeving worden beïnvloed op een wijze die er voor zorgt dat er zich hersenstructuren vormen die probleemgedrag geven als antwoord op binnenkomende prikkels. Ze weten niet beter, het gedrag werd hen aangeleerd.

2. Kinderen voor wie de omgeving heel onduidelijk (= onveilig) is omwille van een gebrek aan goede regels en structuren en toezicht er op. Deze kinderen lopen voortdurend tegen de niet-ondersteunende omgeving aan en weten eveneens al te vaak niet hoe het wel moet.

3. De pre-adolescentie zorgt ervoor dat het kind met zichzelf in de knoop komt te liggen. Deklerck noemt probleemgedrag is deze periode ‘normaal’. Hoe beter de binding met de opvoeders, hoe gemakkelijker het kind en de opvoeders zich doorheen deze periode kunnen werken. Met een gebrekkige binding loopt het kind gevaar om terecht te komen in zeer woelig water.

Bij dit alles is het ook belangrijk te blijven beseffen dat over probleemgedrag meestal wordt gesproken wanneer het zich naar de buitenwereld keert (externaliserend), maar dat er ook veel kinderen probleemgedrag stellen dat de opvoeder niet hindert omdat het kind het niet naar buiten brengt (internaliserend). Over dit probleemgedrag wordt weinig gesproken, maar het is daarom niet minder pijnlijk voor de kinderen die zich in die situatie bevinden.

Wat we preventief kunnen doen… Patterson

Uiteindelijk vragen al deze kinderen aan hun opvoeders om hen te helpen hun gedrag onder controle te houden en hen tezelfdertijd een warme relatie te blijven bieden.

Het kader van G. Patterson biedt een goede kapstok om die dubbele vraag waar te maken vanuit preventie. Hij zet 5 pijlers op een balans, twee aan de linkerzijde en drie aan de rechterzijde met de opdracht de balans in evenwicht te houden.

Aan de linkerzijde wordt het belang van regels en structuur toegelicht, en ook het toezicht erop om dit zo te organiseren dat probleemgedrag zich zo weinig mogelijk voordoet (monitoring). Aan deze zijde vinden we ook de maatregelen terug m.b.t. straffen en belonen. Door deze zijde goed te verzorgen helpt de opvoeder het kind om zijn wereld en zijn omgeving onder controle te houden.

Aan rechterzijde staan positieve betrokkenheid en positieve bekrachtiging, alsook het belang van problem solving. Positieve betrokkenheid legt de nadruk op het informele contact tussen opvoeder en kind. De opvoeder toont een positieve interesse in het kind, ondanks het feit dat het al te vaak probleemgedrag stelt. Een belangrijke voorwaarde om deze pijler te laten lukken is tijd maken voor het kind. Positieve bekrachtiging duidt op de bril die de opvoeder opzet om al wat het kind doet aan positief gedrag te zien en dat met het kind te communiceren. Daarvoor is het vooral belangrijk dat de kinderen succeservaringen kunnen beleven. Problem solving leert de opvoeder spreken met het kind i.p.v. tegen het kind. Dat vraagt enerzijds een professionele houding van de opvoeder en anderzijds een goede communicatievaardigheid. De rechterzijde van Patterson’s balans zorgt ervoor dat het kind het gevoel ervaart dat de opvoeder door heen het moeilijke gedrag toch het kind op zich blijft zien. Zo blijft de warmte in de relatie aanwezig.

Een ander preventief kader… Deklerck

De ‘preventiepiramide’ van J.Deklerck biedt een goed kader om zich als organisatie onder de loep te nemen. Vanuit een goed beeld van de maatschappelijke context waarin de organisatie (gezin, school, instelling, …) zich bevindt worden bij de aanvang 2 vragen gesteld:

1. Wat doen we als organisatie om ervoor te zorgen dat het voor alle betrokkenen aangenaam is om hier te vertoeven? (warmte)

2. Wat doen we om van onze organisatie een duidelijke organisatie te maken waarbij de structuur en de regels voor iedereen duidelijk zijn?

Het is pas na het beantwoorden van deze vragen en het werken aan de mogelijke verbeterpunten dat er wordt overgegaan naar de vraag wat te doen voor die paar kinderen waarvoor dat alles nog niet genoeg is. Pas is de laatste fase wordt er overgegaan naar het sanctioneren.

Preventief omgaan met probleemgedrag

Vanuit de opvoeder bekeken…

Kinderen die probleemgedrag stellen raken de opvoeder (ouder, leerkracht, therapeut, opvoeder, kinderbegeleidster, …) in zijn persoon en in zijn werk.

In zijn werk geven ze de opvoeder het gevoel dat hij zijn ‘ding’ niet gedaan krijgt omwille van dit kind en dat alle andere kinderen slachtoffer zijn van dit ene kind dat probleemgedrag stelt.

In zijn persoon legt dit kind voortdurend de zwakke kanten van de opvoeder bloot, geeft het de opvoeder het gevoel deze zwakke kanten te misbruiken. Daardoor gaat de opvoeder twijfelen aan de eigen vaardigheden en ontwikkelt zich al te vaak een relatie van strijd. Daarbovenop gaat de opvoeder vlug denken dat ook alle anderen gaan denken dat hij zijn opdracht niet aankan.

Het gevolg is dat de opvoeder vlug geneigd is om zijn hart te sluiten voor dit ‘moeilijke’ kind.

Vanuit het kind bekeken…

Kinderen kiezen nooit voor probleemgedrag. Ze kiezen om graag gezien te worden door hun opvoeders. Toch is er iets in hen dat er voor zorgt dat het hen niet lukt om gedrag te stellen waardoor die opvoeders hen graag gaan zien. De oorzaken voor dit gedrag kunnen van verschillende aard zijn:

Vooreerst zijn er de gedragsstoornissen. Het betreft kinderen die geboren zijn met in een stoornis die zich uit in probleemgedrag. Het is moeilijk om als niet gespecialiseerde opvoeder met deze kinderen te werken. Best zijn ze geholpen met mensen die van probleemgedrag hun beroepsthema hebben gemaakt.

Daarnaast zijn er echter nog 3 andere mogelijke oorzaken:

1. Kinderen die van bij de geboorte door hun omgeving worden beïnvloed op een wijze die er voor zorgt dat er zich hersenstructuren vormen die probleemgedrag geven als antwoord op binnenkomende prikkels. Ze weten niet beter, het gedrag werd hen aangeleerd.

2. Kinderen voor wie de omgeving heel onduidelijk (= onveilig) is omwille van een gebrek aan goede regels en structuren en toezicht er op. Deze kinderen lopen voortdurend tegen de niet-ondersteunende omgeving aan en weten eveneens al te vaak niet hoe het wel moet.

3. De pre-adolescentie zorgt ervoor dat het kind met zichzelf in de knoop komt te liggen. Deklerck noemt probleemgedrag is deze periode ‘normaal’. Hoe beter de binding met de opvoeders, hoe gemakkelijker het kind en de opvoeders zich doorheen deze periode kunnen werken. Met een gebrekkige binding loopt het kind gevaar om terecht te komen in zeer woelig water.

Bij dit alles is het ook belangrijk te blijven beseffen dat over probleemgedrag meestal wordt gesproken wanneer het zich naar de buitenwereld keert (externaliserend), maar dat er ook veel kinderen probleemgedrag stellen dat de opvoeder niet hindert omdat het kind het niet naar buiten brengt (internaliserend). Over dit probleemgedrag wordt weinig gesproken, maar het is daarom niet minder pijnlijk voor de kinderen die zich in die situatie bevinden.

Wat we preventief kunnen doen… Patterson

Uiteindelijk vragen al deze kinderen aan hun opvoeders om hen te helpen hun gedrag onder controle te houden en hen tezelfdertijd een warme relatie te blijven bieden.

Het kader van G. Patterson biedt een goede kapstok om die dubbele vraag waar te maken vanuit preventie. Hij zet 5 pijlers op een balans, twee aan de linkerzijde en drie aan de rechterzijde met de opdracht de balans in evenwicht te houden.

Aan de linkerzijde wordt het belang van regels en structuur toegelicht, en ook het toezicht erop om dit zo te organiseren dat probleemgedrag zich zo weinig mogelijk voordoet (monitoring). Aan deze zijde vinden we ook de maatregelen terug m.b.t. straffen en belonen. Door deze zijde goed te verzorgen helpt de opvoeder het kind om zijn wereld en zijn omgeving onder controle te houden.

Aan rechterzijde staan positieve betrokkenheid en positieve bekrachtiging, alsook het belang van problem solving. Positieve betrokkenheid legt de nadruk op het informele contact tussen opvoeder en kind. De opvoeder toont een positieve interesse in het kind, ondanks het feit dat het al te vaak probleemgedrag stelt. Een belangrijke voorwaarde om deze pijler te laten lukken is tijd maken voor het kind. Positieve bekrachtiging duidt op de bril die de opvoeder opzet om al wat het kind doet aan positief gedrag te zien en dat met het kind te communiceren. Daarvoor is het vooral belangrijk dat de kinderen succeservaringen kunnen beleven. Problem solving leert de opvoeder spreken met het kind i.p.v. tegen het kind. Dat vraagt enerzijds een professionele houding van de opvoeder en anderzijds een goede communicatievaardigheid. De rechterzijde van Patterson’s balans zorgt ervoor dat het kind het gevoel ervaart dat de opvoeder door heen het moeilijke gedrag toch het kind op zich blijft zien. Zo blijft de warmte in de relatie aanwezig.

Een ander preventief kader… Deklerck

De ‘preventiepiramide’ van J.Deklerck biedt een goed kader om zich als organisatie onder de loep te nemen. Vanuit een goed beeld van de maatschappelijke context waarin de organisatie (gezin, school, instelling, …) zich bevindt worden bij de aanvang 2 vragen gesteld:

1. Wat doen we als organisatie om ervoor te zorgen dat het voor alle betrokkenen aangenaam is om hier te vertoeven? (warmte)

2. Wat doen we om van onze organisatie een duidelijke organisatie te maken waarbij de structuur en de regels voor iedereen duidelijk zijn?

Het is pas na het beantwoorden van deze vragen en het werken aan de mogelijke verbeterpunten dat er wordt overgegaan naar de vraag wat te doen voor die paar kinderen waarvoor dat alles nog niet genoeg is. Pas is de laatste fase wordt er overgegaan naar het sanctioneren.

© JDT (2017) -||- Last Updated: 08-10-2017 -||- Site Designed by:    JDT